Full Text / Transcription of UNIVERSITEITLEIDEN-DIG-KOLONIAAL-WEEKBLAD-1910-06 (2024)

M ET KOLON I AAL WEEKBLAÖ
?
wmm ORGAAN VEREEN «6
ZUYLEi
„HET KOLONIAAL BELANG IS ELN ALGEMEEN NEDERLANDSCH BELANG?
T'f'
'//4
i^A^i^^É^^É^A*
o A b o n n e m e n t s p r i j s p e r j a a r : Vrij aan huis of franco per post binnenland, bij vooruitbetaling Voor Oost-lndië en het Buitenland Afzonderlijke nummers
Prijs der A d v e r t e n t i ë n Per regel . . . . Bij plaatsing van 500 regels „ 1000 „
p f 0.15 , 0.12'/2 „ 0.10
MEDEDEELINGEN of INGEZONDEN STUKKEN moeten worden geadresseerd „aan de Redactie-Commissie", en gezonden aan de Presidente: 7a HEERENGRACHT, DEN HAAG. Ü Voor Administratie en Verandering van Woonplaats wende men zich tot den Heer W. VAN DER ZiJL, 51 Verhulststraat. a Voor Advertentiën tot de Drukkerij „LUCTOR ET EMERGO", AMAL1A VAN SOLMSSTRAAT, Telefoon 4424, beiden DEN HAAÜ
Inhoud van dit nummer.
Jaarverslag van de Vereeniging „Oost en West" over bet jaar 1909. — Perskroniek. — ' Uit de O.-I. Mail. — West-Indië. — Wat de Inlander zegt. — Wat de Chinees vertelt. — Van Vreemde Koloniën. — Oost- en WestIndisch Literatuur-Overzicht. — Leeszaal. — Mededeelingen. — Ingezonden. — Passagierslijst.
Mededeelingen van het D a g . B e s t u u r en van de Afd. 's-Gravenhage vindt men op blz. 7 en 8.
Herinnering aan alle belangstellenden tot deelname aan de Samenkomst van Dag. Bestuur en Bed.-Com. van H e t K o l . W e e k b l a d op D o n d e r d a g 17 F e b r u a r i des avonds 8% uur in B o e a t a n Heulstraat 19, den Haag.
JAARVERSLAG betreffende de werkzaamheid van het Hoofdbestuur.
Adres aan Z. Ex. den Minister ran Binnenlandschè Haken om op de scholen nicer plaats te geven aan het _ onderwijs onzer Oost- en West-Indische bezittingen.
Ten einde meer belangstelling bij de Nedterlandsche jeugd op te wekken voor Nederlandsen Oost- en West-Indië, is bij verzoekschrift van 9 October 1909 door het Hoofdbestuur onzer Vereeniging een adres gericht aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandschè Zaken, met het verzoek het daarheen te willen leiden, dat de inspecteurs van onderwijs zich beijveren de hoofden van scholen er op te wijzen, van hoeveel belang het is, de kennis van Indië in den ruimsten zin bij de jeugd en de jongelingschap Ie bevorderen, hen te wijzen op de hulpmiddelen die een welkome en aangename gelegenheid kunnen aanbieden om het onderwijs in Indische onderwerpen te verbeteren en in het bizonder aan te bevelen om bij de léssen in geschiedenis,- aardrijkskunde enz. voor Nedèrlandsch Oost- en West-Indië een beteekenende plaats in te ruimen.
Voorts werd gewezen op de practische, overzichtelijke, veelal met goede afbeeldingen verluchte boeken en boekjes, die in den laatsten tijd over Indië verschijnen en op de uitgaven vanwege het Koloniaal Museum te Haarlem, meer bepaald de zoo praktisch nuttige door dit Museum bijeengebrachte schoolverzamelingen van Indische producten. Blijkens de van Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandschè Zaken ontvangen Missive dd. 22 November 1909 No. 7491 (2e Afd. H. M. O.) was die departementschef met de Inspecteurs van het Middelbaar Onderwijs en der gymnasia van oordeel, dat het opwekken van belangstelling voor onze bezittingen en koloniën bij leerlingen op de scholen voor Middelbaar Onderwijs geheel op den weg lag van het bestuur van het Koloniaal Museum, te Haarlem en werd daarom voorgesteld, om van de zijde onzer Vereeniging nog eens de aandacht te vestigen op de door het Koloniaal Museum gepubliceerde bescheiden, enz.
In verband met deze aanwijzing werd — in overleg, met de Propaganda-Commissie — het noodige verricht. (Zie ook Kol. Weekblad 1909 No. 43).
Adres aan Z. Ex. den Minister run Koloniën, adhesie betuigende met het adres door de Commissie van het Museum van Kunstnijverheid te Haarlem tot dien Departementschef gericht.
Bij adres van 16 November 1909 en het daarbij begeleidend schrijven van dien dag No. 149, werd onze adhesie betuigd aan het, onder dagteekening van 7 Juli 1909 tot dien Departementschef gericht rekest van de Commissie van het Museum van Kunstnijverheid te Haarlem, strekkende om van Regeeringswege een proef te willen nemen met eenige inlandsche jongelieden van Ned. Oost-lndië, die blijken hebben gegeven bijzonderen aanleg te bezitten voor de artistieke hout- of metaalbewerking, op de Haarlemsche school een practischen cursus te laten doorloopen. (Zie ook Kol. Weekblad 1909 No. 49). Onze Nijverheidscommissië vestigde de aandacht op het bericht, dat den heer J . E . Jasper te Soeraba ja door de Indische Commissie van de Brusselsehe Tentoonstelling was opgedragen, enkele , ,,toe'kangs" (kunstnijveren) uit te zoeken. Deze keuze — meende men — zou dan wellicht zóó kunnen zijn, dat diezelfde kunstnijveren, — die zoo mogelijk eenige algemeene ontwikkeling zouden moeten bezitten, — althans lezen en schrijven moeten verstaan, na afloop der ßrusselsche tentoonstelling in Haarlem, en ook op verschillende werkplaatsen, verder technisch in hun vak bekwaamd zouden kunnen worden, om dan bijv. na 2 à 3 jaar in Indië als leeraar-voorganger een plaatsing te bekomen aan de drie thans reeds in het leven geroepen ambachtsscholen te Batavia, Semarang en Soerabaja, waaraan dan, evenals aan de huisvlijtschool te Ngawi, productieve werkplaatsen verbonden zouden kunnen zijn. Onze Nijverheidscommissië zou dit een practisch begin van uitvoering vinden dat niet behoeft te wachten op eene reorganisatie van het inlandsch onderwijs, waarbij ook aan het ambachtsonderwijs — met of zonder artistieke richting — een plaats 'zou worden toegekend. Op het einde van het verslagjaar was ten deze van de Regeëring nog geen definitief antwoord ontvangen. J ; ! i t
Oprichting ran een Bureau ran Raad en voorlichting omtrent de bekwaming voor en de vervulling vanverschillende betrekkingen in Ned. Oost-en WestInd/'e. — Informatiebureau: ontstaan, karakter, doel.
(Goedgekeurd in de Vergadering van 18 Oct. 1909).
Bij brief van 29 April 1909 deed het afdeelingsbestuur van Zutfen, naar aanleiding van het „Van Dag tot Dag"-artikel van het Algemeen Handelsblad van 25 Maart tevoren, het voorstel aan het Hoofdbestuur, om de vraag te overwegen, of en hoe éene instelling als een Informatiebureau tot hetwelk zich kunnen wenden allen, die in Indië jonge werkkrachten zoeken en allen, die in Nederland zich zelven of hunne zonen wenschen op te leiden tot wat voor een loopbaan in Indië geschikt maakt, door onze Vereeniging zou zijn tot stand te brengen en het resultaat dier overwegingen aan de Algemeene Vergadering mede te deelen, zoomede, zoo mogelijk daaraan
toe te voegen een voorstel, waavvan de aanneming tot het doel zou kunnen leiden. Het Hoofdbestuur verklaarde in zijne vergadering van 10 April 1909 sub II, zich bereid om een ieder, die zich tot onze Vereeniging wendde om hulp of voorlichting bij de studie of de keuze voor een werkkring met betrekking tot Oost- of West-Indië, zooveel mogelijk ter zijde te staan. Dààr, waar het Bestuur niet dadelijk inlichtingen kon geven, werd er naar gestreefd om die inlichtingen ter bevoegder plaatse in te winnen. In afwachting van de beslissing, weUke de Algemeene Vergadering nemen zou, werden voorshands de noodige voorzieningen genomen, die zich bepaalden tot de volgende maatregelen: Ie. Meerdere aandacht werd geschonken aan de ,
bekendmakingen der oproepingen van personen voor verschLlende werkkringen, ook van de zijde der Regeering, door plaatsing dezer oproepingen in Het Koloniaal Weekblad. 2e. Verkrijgbaarstelling van de voorwaarden v a n plaatsing tegen inkoopsprijs. 3e. Door gidsen ter raadspleging voor de inlichtingen zoekenden beschikbaar te stellen, ten kantore van het Dagelijksch Bestuur (Heulstraat 17). Voorts werd in Het Koloniaal Weekblad van 21 Juni 1909 No. 25 kennis gegeven van het vormen
eener voorloopige commissie ten deze, bestaande uit de heeren: E. van Assen, C. J . Hasselman. J. C. H. Wattendorff (sedert vertrokken), en J. H . B .
Oonien (sedert overleden), die ten doel had een algemeen plan van propaganda te vormen, welke alle takken van den Staatsdienst en van particuliere betrekkingen zou omvatten. In de Jaarlijksche Algemeene Vergadering, te Utrecht op 10 Juli 1909 gehouden, werd dit onderwerp door den voorzitter nader toege icht en tevens te kennen gegeven, dat, in overleg met het bestuur van de Commissie tot verspreiding van populaire kennis omtrent Nederlandsch Oost- en West-Indië, het denkbeeld was besproken om boekjes uit te geven, die tot voorlichting zouden kunnen dienen, in den geest van het door den Controleur A. J . H. Eyken uitgegeven werkje, handelende over den werkkring van den controleur bij het Binnenl. Bestuur op Java. De stand van de kas der Vereeniging liet echter geen groote uitgaven toe, doch men was van meening, dat ér wel termen bestonden om daarvoor den steun der Regeering te vragen. Zoodra wij verzekerd waren van de sympathie voor ons plan bijl de Regeering, werd reeds dadelijk, in afwachting van het definitief besluit omtrent de in uitzicht gestelde' subsidie, het noodige verricht voor de vorming van het bureau, en gelegenheid geschonken tot het vragen en verkrijgen van inlichtingen, voor zoover de beschikbare middelen daartoe in staat stelden. ' Dat daarmede aan eën dringende behoefte werd voldaan, bleek wel uit de vele bezoeken en de drukke correspondentie, welke dat voorloopige bureau reeds dadelijk ten deel vielen. Het dagelijksch beheer van het informatiebureau geschiedde tot het einde van de maand October 1909 door den secretaris van het Hoofdbestuur; daarna
trad de heer J. L. van Gennep op. Van de toegevoegde leden der Vereeniging ontvielen de heeren J. II. B. Oomen (overleden) en J. L. H. Wattendorff (jegens verhuizing), terwijl met bovengenoemden datum 'de Commissie onder den naam van: „Commissie van Raad en Voorlichting omtrent de bekwaming voor en de vervulling van verschillende betrekkingen in Ned. Oost- en West-Indië" in functie trad. De Commissie is thans samengesteid als volgt: E. van Assen, voorzitter; J. L. van Gennep, secretaris-penningmeester; E. M. v. d. Bergh van Heiuenoord; Dr. H. Blink; H. D. H. Bosboom; C. J. Hasselman; W . L. Megelink; J. M. Pijnacker Hordijk, leden. liet oprichten can fondsen: a. tot ondersteuning van personen, commission en instellingen; b. voor bijstand, opvoeding en leiding van in Europa studeerende Indische jongelieden. — Studiecommissie. Werd in het verslag over het jaar 1908 reeds uiteengezet het doel, dat het Hoofdbestuur beoogde met het maken van een begin van vestiging dezer fondsen, thans kan hieraan worden toegevoegd, dat de destijds gedane voorbereidende stappen om te geraken tot het in het. leven roepen van eene commissie, die raad en bijstand zou verleenen aan de jongelieden, waarvan hier sprake is, hebben geleid tot de vorming van de zoogenaamde „Studiecommissie" wier reglement in de Hoofdbestuursvergadering van 10 April 1909 sub XIIc werd goedgekeurd en vastgesteld. (Kol. Weekblad 1909 N 0. 19). In al. 5 van art. 6 van dat Reglement is voorgeschreven, dat de secretaris jaarlijks zorgt, voor de opstelling van het jaarverslag aan het Hoofdbestuur, zoodat daarnaar kan worden verwezen; alleen zij hier nog aangeteekend, dat in den stand der fondsen .ireen verandering kwam. Op de begrooting voor het jaar 1910 werd ten behoeve van de beide posten sub a en b ieder /50 uitgetrokken, terwijl ook nog Wat betreft de studiecommissie over bijdragen uit het fonds te Batavia kan worden beschikt. Ten opzichte van den West-Indischen jongeling A. M. Punselie kan worden bekend gesteld, dat het bestuur der afdeeling Rotterdam diens belangen blijft behartigen. Hulpverschaffing. Evenals in het jaar 1908, toonde de Vereeniging ook in dit verslagjaar belangstelling en daadwerkelijken steun tijdens de rampen, die Ned.-Indië troffen. Zoo werd, ten behoeve van de Kolonie van noodlijdende inlanders te Pangoengsen (Tayöe-Java) toenmaals onder directie van Mevrouw M. Jansz, een klein geldelijk bedrag verzonden, terwijl ook oïizer'zijds den stoot gegeven werd tot het inzamelen en de overmaking bevorderd werd van gelden voor de noodlijdenden, tengevolge van de rampen: a. te Pendjaloe (Java), aardschuiving; b. in het landschap Korintji (Sumatra), aardschokken en vloedgolf; c. te Kaliwoéngoe en Loemadjang (Java), brand en overstrooming. (In het volgende weekblad over de werkzaamheid der verschillende commissiën). Aantal leden en de mutaties daaronder. Op het einde van het jaar 1909 bedroeg het aantal leden der Vereenigüng 2172.
Eene vergelijkende opgave van het aantal leden over de, jaren 1908 en 1909 volgt hieronder.
Vergelijkende opgave van het aantal leden d e r Ver. „Oost en West" over de jaren 1908 en 1909.
AFDEELINGEN
Hoofdbestuur
Amsterdam . Apeldoorn . Arnhem . . Breda . . . 's-Gravenhage Leiden . . . Nijmegen . . Rotterdam . Utrecht. . . Zutfen . . .
a. Nederland . . b. Ned.-Oost-Indië c. Ned.-West-Ind. d. Buitenland . .
AANTAL LEDEN
1908 1909
M. V. | Totaal
148' 230 64 20 142 164 128 50 752 56') 82 76 54 38
132 216 72 27 134 73 54 35 605 103 73 65 56 36
20043) 1683
25 Javaansche dames
43 22 2 1 10 30 4 10 296 5 8 10 19 4
464
25
175 238 74 28 144 103 54 45 901 108 81 752) 772) 40
21474)
25
1683 | 489 i 2172 ) Ten rechte 63. ) 1 betaalt f 100 in eens. 3) Hieronder zijn begrepen 126 begunstigers. 4) Hieronder zijn begrepen 175 begunstigers. Begunstigers zijn zij die f 5.— of meer jaarlijksche contri butie betalen of eene bijdrage in eens storten van minstensf 100.
Mutaties onder het personeel: a.
Tengevolge van het voorschrift,
Hoofdbestuur. vervat in art. al. :. van het Huishoudelijk Reglement, traden navolgende leden van het Hoofdbestuur af, n.1. heeren: l . Th. J. A. van Zijll de Jong, Zutfen, Mr. H. Smeenge, Amsterdam, 3. J. C. van Reyn, Breda, terwijl de heeren: L. A. Bakhuis, wegens drukke ambtsbezigheden, O. H. Kuyck, wegens vertrek van Apeldoorn, en J. L. Pierson, wegens ziekte, hunne function wenschten neer te leggen. In de te Utrecht op 10 Juli 1909 gehouden Algemoene Vergadering werden tot hoofdbestuursleden gekozen de heeren A. B. J. Prakken, J. H. Calmeyer, Th. J. A. van ZijU de Jong, F. E- Luitjes, Mr. H. Smeenge en J. C. van Reyr«, zoodlat het Hoofdbestuur thans is samengesteld als volgt:
Jaar van aftreding
1910 1911 1910 1910 1911 1912 1911 1911 1912 1911 1912 1911 1912 1910 1910
1912
N A M E N
C. R. Bakhuizen van denBrinkte's Hage A.'B. J. Prakken , E. van Assen „ A. A. C. Harting . . . . Mevr. M. ten Bosch-Bosscher „ Mr. H. Smeenge . . . . Amsterdam Th. Almerood . . . . T. Gerdes Oosterbeek . Apeldoorn. J. H. Calmeijer . . . . L. A. H. Lamie . . . . Arnhem. J. C. van Reyn . . . . Breda. Prof. Mr. J. E. Heeres . Leiden. F. E. Luitjes Nijmegen. Jhr. Mr. J. E. von Weiler Rotterdam. Mevr. J. E. v. Oeveren geb. van Schaik Utrecht. Th. J. A. vanZylldeJong Zutfen.
FUNCTIES
Voorzitter Ond. Voorz Secretaris Penningm
Leden.
Aan de aftredende leden werd de dank derVereeniging overgebracht en' de belangen der Vereeniging in hunne voortdurende gewaardeerde belangstelling aanbevolen. , b. i n d e a f d e e l i n g e n . In de afdeelingen hadden de navolgende mutaties plaats. a. U t r e c h t. D e heer Kohlbrugge werd als secretaris-penningmeester vervangen door de heeren: S. H. Tjabring, secretaris, en A. Enthoven, penningmeester.
b. A p e l d o o r n . De voorzitter O. H. Kuyck trad, wegens vertrek, als voorzitter af. c. A m s t e r d a m . Ter voorziening in de vacature, ontstaan door het vertrek van den heer Kromhout, werd tot bestuurslid gekozen de heer A. Duif. a. C o r r e s p o n d e n t e n . De heer E. von Saher te Haarlem vervangen door Mej. Elis H. Rogge, Koninginneweg 93. Te Batavia maakte de' heer W. Boetje, referendaris bij het Departement van Financiën — Tanah Abang No. 10, zich verdienstelijk voor onze vereeniging; wij ' koesteren de hoop, dat hij blijvend als de Vertegenwoordiger onzer vereeniging in Irndië zal willen optreden. In West-Indië traden als correspondent in functie: a. Beneden Commetyijne: de heer B. L. Currie, plantage „Broederschap"; b. Saramacca: de heer E. Beuno Bibaz. op station Groningen (K. W. 1910, No. 4). Voor Curacao wordt de correspondentie gevoerd met Dr. H- Ferguson te Willemstad. 5. V e r g a d e r i n g e n . Eene buitengewone Al^omeene Vergadering had plaats te 's-Gravenhage op Zaterdag il November 1909 (contract met den dx-nkker, wijziging art. 13 der Statuten). Deze werd voorafgegaan door eene buitengewone Hoofclbestuursvergadetring op dienzell'den dag, ter voorafgaande bespreking van de onderwerpen die op de Buitengewone Algemeene Vergadering zouden worden voorgebracht. Hoofdbestuursvergaderiiigen werden gehouden: a. 10 April 1909 te 's-Hage, b. 10 Juli 1909 te Utrecht; c. 30 October 1909 te s-Hagc. Ten aanzien van de gecombineerde vergaderingen kan hier worden bekend gesteld, dat het Dagelijksch Bestuur eiken tweeden Donderdag van de maand samenkwam met de Redactie-commissie van het Koloniaal Weekblad, en dat met de propaganda- en jiijverheidscommissiën, alsmede met de commissie voor het informatiebureau, op zekere tijdstippen samensprekingen plaats hadden, tengevolge waarvan de goede gang van zaken zeer werd bevorderd. In den vervolge, te beginnen met het jaar 1910, zttllen de maandelijksche samenkomsten van het Dagelijksch Bestuur der Vereeniging en de Redactiecommissie van het Koloniaal Weekblad plaats hebben op den 3den Donderdag van elke maand, avonds ten ure, Heulstraat 19, den Haag. des (Kol. Weekblad 30 Dec. 1909, 52).
Aléemeen overzicht van het Ledental der Vereeniging op
im
S 3 Z
1
2
Ressort
Hoofdbestuur
Afdeelingen in Nederland.

Afdeelingen
1. Nederland . 2. Buitenland. 3. West-Indi:. 4. Oost-Indië .
1. Amsterdam. 2. Apeldoorn . 3. Arnhem. . . 4. B r e d a . . . . 5. 's-Hage. . . 6. Leiden . . . 7. Nijmegen. .
8. Rotterdam .
9. Utrecht. . .
10. Zutfen. . . .
25 Indische dames
Totaal generaal
oj Q •O Cl
« — " S 3 « o. < o
148 20 64 220
462
142 164 128 50 752 562) 82 76
54
38 2005
2004
Aantal leden op ultimo v/h jaar 1909.
Mannen
132 27 72 216
447
134 73 54 35 605 103 73 65
58
36 1683
1683
2004 1 1683
Vrouwen
43 1 2 22
68
10 30 4 10 296 5 8 10
19
4 464
464 25
489
Totaal
175 28 74 238i)
515
144 103 58 45 901 108 81 74 en 1 lid f lOOi.e. 76 en 1 lid f 100 i. e 40 21473)
4127 25
2172
» 31 December 1909 en de daaruit voortspruitende inkomsten.
B E D R A G D E R C O N T R I B U T I E S .
1.00
13
13
8
26 1
6
1
i 55

1.50
95 5
100
76 88 34 40 513 '84 63 35
44
18 1095

2.00
14
14
9 12
2 54 4 1 1
5
7 109

2.50
35 14 71 214
434
42 2 9 3 189 14 7 26
21
14 659

3.00
4 3
4
11
4
2
21 2 1
1 42

4.00
1
1
1
6 1
9

4.50

1
1

5.00
13 5 2 16
36
8
3
79 1 3 11
4
145

6.00
_ 1
1
1
1
3
7.50

1 1
2 Tw
_
10.00
1 1 1
3
6

9
1
12.00 12.50
2
2

1
18 i 2 1 1 :e leden die de contribu —
15.00 j 20.00

1
1

1
S .a •a ~ TrVTAA. '•• 2?-O
175 28 74 238')
515
144 103 58 45 901 108 81 74
76
40 2 | 1 | 2145 ie in eens betalen 2 2147J) 25
« U
f 358.— „ 86.50 „ 197.50 „ 661.—
f 1 3 0 3 .
„ 3 3 9 . „ 1 6 7 . « 1 1 1 . „ 71.50 „ 2006.53 „ 192.50 „ 1 3 8 . „ 184.50
„ 1 7 5 .
„ 7 9 . f 4767—
~
_ ; _ ! _ • ; _ 'i _ . ; _ j - ' i - j - ' i _ ; 2172 |
•a « • o
Mo n S I S I « u3- S Sa«- 0"
f 1 0 8 . „ 77.25 „ 43.50 „ 33.75 „ 675.75 „ 81.— „ 60.75 „ 56.25
,. 75.75
„ 3 0 . f 1224—
'

TOELICHTING. ') Hieronder niet begrepen de 25 Indische dames, zijnde het nog niet vastgesteld waar de contributie wordt voldaan. 2) Ten rechte 63. 3) Waaronder 174 donateurs. De inkomsten van het Hoofdbestuur zijn: a. contr. H., B. . . f J303— Zonder uitgaven voor het „Koloniaal Weekblad" bedraagt het b. „ Afdeelingen,, 1224— . ,. .7. i m A , * Afdeelingen „ 1224— Totaal . f 2527 begrootingscijfer voor 1910 . f 3625.
3
PERSKRONIEK.
INHOUD: Het Vaderland over de zending in de Minahassa. — Een recensie over de tentoonstelling van Makassaarsche voorwerpen in de Hofstad. — De Nieuwe Rotterdamsclie Courant over tie bebouwing van het Koningsplein te Batavia. — Slot eener polemiek tusschen Si Anoe, den Atjehschen correspondent van hei Algemeen Handelsblad, en den Ind. medewerker v/h. Vaderland. — Een vraag aan laatstgenoemden schrijver.
Naar aanleiding van een alhier ontvangen telegram, meldende, dat de voornaamste hoofden in de Minahassa aan de regeering het verzoek gericht hebben tot instandhouding van het neutraal onderwijs aldaar, schrijft het V a d e r l a n d : . „Dus ook van daar een protest tegen den overgang van de Gouvernementsscholen in handen der Protestantsche zending, evenals reeds te voren van de Sangi- én Talaut-eilanden vernomen werd. Van die eilanden moet men ziel; nl. per request tot de Tweede Kamer hebben gericht. Dat is nu äüderä geworden, èii men mag dus zeggen, dat in de Minahassa, evenals op de Sangien Talaut-ei.anden, de gemoedéren in beweging zijn geraakt, omdat men niet gediend is van de aanmatigende houding der zending. Want het geheele plan tot bovengenoemde conversie is uitgegaan van het Ned. Zendinggenootschap; het dateert reeds van 1888, van het Ministerschap yan wijlen Van Asch van Wijck. Hoe men van Regeeringswege dien maatregel heeft kunnen voorstaan is ons een raadsel, want waar, evenals in de Minahassa, ongeveer de helft van het aantal schoolgaande kinderen de openbare school bezoekt, is hij volslagen in strijd met artikel 125 van het R.K., waarin sprake is van een regeling van het openbaar onderwijs „met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen." Hoever die ingrijpende quaestie thans staat is ons niet bekend. De Minister kon naar aanleiding van éen hem ter zake gestelde vraag slechts antwoorden (M. v. A. op de begrooting v0or 1910), dat haar afdoening nog niet mogelijk was geweest, omdat van het' Zendinggenootschap de voorwaarden toen nog niet waren kenbaar gemaakt, „waarop zij genegen zou zijn om eenige Gouvernementsscholen in de Minahassa en de Sangien Talaut-eilanden over te nemen " •Dat is maar gelukkig ook, mogelijk, dat men nu van de geheele zaak afziet, hoogstens zich bepaalt tot de eenige scholen, in de M. v. A. genoemd. Zulks zou getuigen van wijs beleid en overleg."
In de H o f s t a d vinden wij het volgende vermeld over de alhier door den heer Tideman met medewerking der af deeling Vüravenhage van Oost en West gehouden tentoonstelling van Makassaarsche voorwerpen, waaraan ook H. M. de Koningin Zaterdag j.1. een bezoek bracht. „In de Gothische Zaal'', zoo zegt de recensent, „heeft de heer Tideman zijn, tijdens langdurig verblijf op Celebes saamgegaarde, collectie voorwerpen van Makassaarschen oorsprong geëxposeerd. Een smaakvol en, wat meer zegt, • overzichtelijksystematisch geordende tentoonstelling, die wij te danken hebben mede aan den ijver van het bestuur der vereeniglng „Oost en West", dat er, getrouw aan het doel der vereeniging, steeds op uit is, ons nader te brengen tot de kennis van land en volk van Insulinde. Dit is dus het nationaal belang van deze tentoonstelling; voor het overige is er nog eeïn ethnographisch-wetenschappelijk en een aesthetisch. Ons heeft de verzameling ,geboeid en geleerd. Vooral de collectie vlechtwerk. Deze trof ons dooide bewustheid, waarmede een eenvoudige decoratie werd ontworpen en de streng-systematische wijze, waarop zij werd doorgevoerd. Geeft dit niet de getuigenis van een drang — zij het een primitieve — tot bewuste aesthetica, die breeder dispositie doet vooronderstellen? Wij bedoelen, dat wij gelooven, dat sommigen, de meest begaafden, dier vlechtwerkers (en houtsnijders blijkens hunne inzending óók) onder straffe en talentvolle leiding tot werklieden-in-kunstnijverheidsvakken zouden kunnen worden opgevoed, als er weinige zijn. Er is in dit werk een beheerschte sierlijkheid en een aangename keuze van fraaie kleuren. Ook in het weefproduct is een sterke neiging tot stijlvol verstoren, al zijn daarin Javaansche batikmotief-invloeden te bespeuren. Een met kralen getooide hoed) mag als laaste voorbeeld van een kalme, vaste doorvoering van het eens ontworpene gelden. Veel interessants brengt de tentoonstelling nog uit ethnographisch oogpunt: kleederén, speelgoed, modellen van huizen en schepen, van slanke, groot-gezeilde bootjes, die wij onder het hooge, tropische licht vlug en rank-broos zien aanzweven over hei-blauwe wateren..." * m * In dé N i e u w e R o 11 e r d a m s c h e C o u
r a n t een artikel over de „bebouwing van het Koningsplein, aan welk onderwerp onlangs door den alleszins bevoegden heer v. E. in ons blad eenige beschouwingen werden gewijd
„In den laatsten tijd zijn er stemmen opgegaan,
on zelfs plannen gemaakt om het Koningsplein geheel of wel gedeeltelijk te bebouwen. Het laatste plan —• gedeeltelijke bebouwing — heeft, volgens de, Javabode van 3 Januari 11., een vasteren vorm gekregen, nu de gemeenteraad van Batavia, die het beheer over het Koningsplein heeft,. besloot toe te stemmen in de ontheffing van dat beheer over het noordelijk gedeelte daarvan. Een deel der Indische pers, en met haar een deel
der ingezetenen van Batavia, is allerminst ingenomen met het denkbeeld eener bebouwing van het Koningsplein met een aantal groote gebouwen en ook het K o l . W e e k b l a d van 27 Januari j.1. bevat een artikel, waarin tegen eventueele bebouwing wordt gewaarschuwd op gronden, die ons juist voorkomen en die in hoofdzaak verband houden met de voor een tropische stad zoo noodzakelijke luchtverversching en de omstandigheid, dat men tegenwoordig ook in niettropische landen bij stedenbouw of nieuwen uiltleg immer streeft naar ruime pleinen of parken. Het valt niet te ontkennen, dat de groote open grasvlakte van het Koningsplein te Batavia — in den drogen tijd bovendien geruimen tijd verdord en dikwerf over groote stukken kaal gebrand ,— aan de schoonheid van het plein niet ten goede komt. Hierop wordt o-a. de aandacht nog eens gevestigd in het kort geleden verschenen prachtwerk „Twentieth century impressions of Netherlands-India." 'Wij kunnen niet voldoende' beoordeelen of, zooals sommige Indische Maden aannemen, elders grond en ruimte voor de benoodigde gouvernements-gebouwen is te vinden en bebouwing van het Koningsplein om die reden niet noodig zou zijn, doch wij willen toch onzerzijds in overweging geven niet dan na zeer ernstig beraad en na de zaak van alle kanten te hebben bekeken tot die bebouwing te besluiten. Wie zich, afgescheiden van het schoonheidselement, herinnert, hoe heerlijk de frissche lucht u des avonds na de zoo heete dagen, die Batavia geven kan, tegemoet waait zoodra men de straten uitkomt, die tot het Koningsplein toegang geven, zal het betreuren, als de „long" van Weltevreden (Batavia) moet bebouwd worden met massieve, veel Warmte uitstralende gebouwen.
De Indische regeering houde, met het zooveel kleinere Waterlooplein, ook het Koningsplein, den trots van Batavia, indien mogelijk, onverkleind instand." •
Eenige maanden geleden maakten wij in. deze rubriek melding van een pennestrijd tusschen Si Anoe, den Atjehschen correspondent van het A l g e m e e n H a n d e l s b l a d , en den Indischen militaire medewerker van het V a d e r l a n d . Uit een der laatste brieven van Si Anoe blijkt dat
dit zijn nut gehad heeft. Althans, Wij hooren nu van dezen schrijver, dat hij iets van het antwoord van
zijn tegenstander vernam, „doordat mij een gedeelte van een exemplaar van Oost en West werd toegezonden, waarin de brieven in dit blad worden besproken in verband met mijne opmerkingen ten aanzien van genoemde critiek. > Datum en nummer van genoemd Weekblad kan ik
niet aanhalen, want ik ontving slechts het binnenblad." Alsnu vervolgt Si Anoe: „Met eenige ingenomenheid nam ik er kennis van, dat de redactie van dat Weekblad van Si Anoe zegt, dat hij blijkbaar als „officieuse trechter" gebruikt wordt; want als regel geelt cene dergelijke uitdrukking te kennen, dat de bewuste schrijiver goed ingelicht is. Minder welwillend vind ik het, dat men een onbekenden correspondent zonder meer verdenkt, dat hij er zich toe leent om stemming te maken en eene voorstelling van zaken te geven, die den hoogen in den Lande aangenaam zou 'zijn. Zeker, zulks komt voor, maar Si Anoe dient noch personen, nóch stelsel. Daar de voorstelling van zaken door' X—X in Het Vaderland zoo geheel afwijkt van de mijne slaakt Oost en West de verzuchting, dat • X—X zal moeten toegeven, dat het voor een leek, die zich gaarne een onbevangen en onpartijdig oordeel wil vormen, een zeer moeilijk geval wordt." Volgt een uiteenzetting van Si Anoe voor ons en
naar hij hoopt „ook voor anderen", omtrent de „onbetrouwbaarheid" van zijn tegenstander; een uiteenzetting, welker waarde ons en wellicht ook de „anderen" moeilijk zal vallen te beoordeelen. Daar dit Si Anoe's laatste woord over deze zaak is, zullen ook wij h"et hier maar bij laten. 9 9 m Gevonden in een artikel van het V a d e r l a n d onder het opschrift „Atjeh in 1910" (niet 1909, maar '10) van de hand van den indischen militairen medewerker van dat blad:
BREÏÏDEL&Zonen Wijnhandel Likeurstokerij
Zoutmânstr. 63 D° Prinsestraat 114 . TELEFOON 4905 na . TELEFOON 5448 Vraagt uitvoerige prijscourant. Scherp concurreerende prijzen. - 5 % dividend.
Th. A. A. SIMONIS 34 GROENMARKT
TELEFOON No. 2535 a DEN HAAG
OVER DE PRINSESTRAAT.
Specialiteit in BEDDEN. — — GROOTE KEUZE. — — ' van af het beste tot het eenvoudigste.
MAGAZIJN GESLOTEN VAN HALF EEN TOT TWEE UUR.
The Berlitz School,
welbekend bij allen die met verlof in Nederland vertoeven. Noordeinde 58a. - Telef. 2234. TALEN
Duitsch - Engelsch - Fransch, Italiaansch - Spaansch - Russisch - Hollandsen, enz, enz. door leeraren, uit de desbetreffende landen, die eene zuivere uitspraak, vrij van dialect, bezitten. Conversatie - Vertalingen - Literatuur.
HEINEKEN'S = Glazenwasscherij
STOOM JALOEZIEËN- en ROLLU1KENFABR1EK. -:
Fabriek v. Geschilderde GORDIJNEN in meer dan 500 dessins.
yy VC\ P H 11 Q" stofzuis1 VI v^l 1 W O machine.
HOF- EN R1JKSLEVERANC1ERS. Il 'S-GRAVENHAGE. \Z
KETTINGSTRAAT No. 6.
TELEFOON 2478.
..Het onder gouverneur Swart tot nu in Atjeh gevolgde régime heeft de sanctie van de Indische Regeerihg en het Opperbestuur. blijkbaar ook van de groote meerderheid in de Tweede Kamer. Diens beleid wordt gesteund door Indische bladen als Java-Bode, de Sumatra-Post, de Deli-Courant, hier te lande door het Algem. Hbld. en mogelijk nog door kleine couranten, onder welke bladen — naar men ons mededeelt — er moeten zijn, wier Atjeh-eorrespondenten den gouverneur van dat gewest na. zei i s zeer na, in .dienstbetrekking staan.' Vrage: zou de schrijver niet eens willen mededeelen. in welke ,,kleine bladen" hij die volgens hem door kolonel Swart geïnspireerde correspondenten heeft aangetroffen en welke gronden hij verder heeft voor zijn bewering? Het zou werkelijk interessant zijn dat eens te vernemen. Maar dan geen vage beweringen, maar feiten, die te controleeren zijn.
Uit dé 0.=L Mail.
Volgens de jongste jiiail doen • zich • nog telkens, zoowel in Batavia als in de Preanger, enkele gevallen van cholera voor. Ook lezen wij van een hevige Malariaepidemie in Tangerang, waardoor 8 Januari j.1. 500 inlandsche en '30 Chineesche opgezëtenen van de particuliere landerijen Kramat en Karangserangiaut (aan zee) bezweken. Het S o e r . H a n d e l s b l a d vraagt zich af, hoe dit kon gebeuren, zonder dat geneeskundige hulp is aangevraagd. Karangserangiaut, ook genoemd Rawah Kidang, groot 4686 bouws, met ruim 6700 opgezëtenen. ligt 17 paal noordwestelijk van Tangerang in bet, district Mauk, .dits niét'te ver van " den ; zetel van den assistent-resident, w-ien het gemakkelijk genoeg valt met spoed geneeskundige hulp en obàt van Weltevreden te requireeren. Blijkbaar, meent dit blad, is de assistent-resident, of liever de waarnemende titularis (in de plaats van wijlen den ass. resident Dunnewold) óf niet actief genoeg geweest óf niet ingelicht door den wedono van Mauk en den huurder Oey Tjin To van de Cultuurmaatschappij Karang Seranglaut.
In hetzelfde blad lezen wij, dat het plaatselijke subcomité inzake de Loemadjangramp is ontbonden: de laatste bijdrage, groot ƒ4772.25, is naar de hoofdcommissie te Batavia opgezonden. Vroeger was haar ƒ9600 geremitteerd, zoodat in totaal ƒ 4372.25 afgedragen is. Een mooi resultaat.
Meldden wij de vorige week, naar aanleiding van het verkrijgen der rechtspersoonlijkheid door B o e d i O e t o m o. dat ons niet bekend was, of dit ook met de S a r i k a t D a g a n g I s i a m a h reeds het geval was, thans zien wij uit de J a v a b o d e dat het verzoek door den „Bond van Islamitische handelaren'' gedaan, om rechtspersoonlijkheid te erlangen, door de Ilégeering aan het hoofdbestuur is teruggezonden onder mededeeling, dat een nieuw verzoek zou mogen worden ingediend met gewijzigde statuten. De moeilijkheid schijnt te liggen in de omstandigheid, dat de leden deels zijn inlanders en deels Arabieren, en beide categorieën der bevolking, in zake handelsrecht, b.v. ten opzichte van faillissem*nten, aan verschillende bepalingen zijn onderworpen. De bond telt plm. 10000 leden over geheel Ned.Indië, het meest echter islamitische handelaren van inlandsehen oorsprong (landaard). In het hoofdbestuur zitten 5 arabische leden en 4 inlandsche leden. Ten einde uit de bestaande moeilijkheid te geraken is thans besloten, dat alle arabische hoofdbestuursleden zouden aftreden en vervangen worden door inlanders, terwijl de statuten zoodanig worden gewijzigd, dat slechts inlanders lid mogen worden. De bond wordt nu een „Bond van inlandsche handelaren." Andere Islamieten, niet-inlanders, kunnen donateurs Worden. De afdeelingen hebben hun instemming met het genomen besluit betuigd en met het optreden van een nieuw hoofdbestuur, dat als volgt is samengesteld: President R, M. T. Hadisoerjo, dir. der naamlooze vennootschap Medan Prijaji Batavia; vice-president Zaenal Midin (Palembanger), handelaar te Bandoeng; secretaris R. Goenawan, redacteur der Medan Prijaji, Buitenzorg-, kassier Hadji Mohamad Arsad, handelaar te Batavia; commissarissen: M. Railoes, administrateur particulier land Kaum Pondok Buitenzorg, M. Antawïdjdja Laboean, Hadji Abdul Soekoer, Bandoeng. Hadji Eksan Soerabaja, R. Ng. Tjitro, Adiwinoto, chef hout- en productenhandel Islamia Bandoeng. Hadji Nawawi Solo. Raden Ganda Atmadja Bandoeng en Tasripin Semarang. De inventaris van het bondsgebouw te Buitenzorg, zal verkocht worden én het verkregen geld zal, voor de hellt, worden geschonken aan de moskee en voor de andere helft voor het onderhouden van begraaf
plaatsen aldaar, daar de zetel der vereeniging naai Bandoeng is verplaatst. Te Bandoeng is de keus gevallen, omdat deze plaats in één dag te bereiken is van uit Oost-, Midden- en West-Java. Reeds met a.s. maand zullen de entree-gelden, groot ƒ5, geïnd worden. Zoolang de vereeniging nog geen rechtspersoonlijkheid heeft zal dit bedrag beschouwd worden als aandeel in den hout- en productenhandel „Islamiah" te Bandoeng.
Chineezen-registratie.
Naar de S u m a t r a B o d e verneemt is de „registratie' der Chineezen, zoowel echte als andere, te Padang, zooal niet geheel dan toch bijna afgeloopen. Men wist dat blad te vertellen, dat ongeveer allen hebben verklaard, zich niet gerekend te willen zien tot de nederlandsch-indische, maar tot de ehineesche onderdanen. Eigenaardig zeker moet men, het geval noemen. dat nu ook pseudo Chineezen, d.z. Chineezen, die geen droppel chilneesch bloed in de anderen hebben, on derdanen van China schijnen té kunnen worden. Dit vindt zijn verklaring hierin, dat inlandsche kinderen, door Chineezen geadopteerd, voor Chineezen doorgaan. Die gevallen komen meer voor dan men zou denken.
Dat de heer M. v a n G e u n s weder de hoofdredactie aanvaard heeft, is niet alleen merkbaar aan het nieuwe kleed der beide onder zijn leiding staande bladen, doch ook uit den inhoud, niet het minst van het S o e r. H a n d e 1 s 'b 1 ad. Zoo is kennelijk uit zijn pen gevloeid het entrefilet, met het opschrift:
Wat een landbouwcongres kost, en nog iets.
„In het bovengenoemde verslag vinden wij meegedeeld, Wat het in 1909 te Bandoeng gehouden landbouwcongres heeft gekost. Niet, minder dan 5272 gulden is er voor noodig geweest. Alleen aan drukloon is circa 3200 gulden betaald. Het Landbouwsyndicaat is erg duur uit geweest. A propos, zijn de suikercongressen uit de mode geraakt? Men hoort er niets meer van. Is er eb in de financiën, omdat er jaarlijks 20 mille naar Den Haag moet worden geremitteerd? Het komt mij voor, dat het belang der suikerindustrie vordert in den tegenwoordigen toestand, zoo spoedig het mogelijk blijkt, verandering te brengen. Men vraagt zich af, of het wel pluis was in de hoofden van de leden van het syndicaatsbestuur toen zij hun gedelegeerde in Den Haag — die zeer weinig voor de suikerindustrie doen kan. hoe sympathiek hij moge zijn — salarieerden met 20 mille per jaar, bijna het dubbele van een ministerstraktement. Kwam het in de syndicaatskas op een halven ton niet aan, men zou er het zwijgen toe kunnen doen, maar nu zij zoo leeg is dat men geen congres aandurft, kan mem moeilijk berusten.
Ontslag van den Resident van Pekalongan.
Ten vervolg© op wat wij de beide vorige weken overnamen uit dé Ind. Mail, kunnen wij thans ten slotte toevoegen, dat de Landvoogd aan den resident te kennen heeft gegeven, dat hij geen aanleiding kon vinden om op de door zijn ambtsvoorganger genomen beslissing terug te komen. Elders lezen wij, dat de heer Engelbrecht van Bevervoorde groote jachtpartijen zou hebben geor-l
. ganiseerd, waaraan vele Inlanders deelnemen, hetgeen met recht uit den tijd werd geacht.
De voorstellen tot reorganisatie der politie op Java. Reeds dikwijls hebben wij melding gemaakt van de voorstellen der indische Regeering tot hervorming der politie op Java, Gehoopt werd, dat die hervormingen, indien de daartoe strekkende plannen door het opperbestuur en wetgevende macht mochten worden goedgekeurd reeds in April van dit jaar zouden kunnen worden ingevoerd. Ongelukkigerwijs, zoo schrijft de J a v a b o d e nu. zal dit wel niet' het geval kunnen zijn. Vermoedelijk ten gevolge der wisseling in het ministerie zijn de door de indische Regeering noodig geachte gelden niet op de oorspronkelijke indische begrooting voor 1910 of op een der na de indiening daarvan er aan toegevoegde notas van wijziging gebracht. Naar alle waarschijnlijkheid zal het voorstel thans eerst kunnen worden opgenomen in de suppletoire indische begrooting, welke, gelijk andere jaren, tegen het voorjaar wordt ingediend. Indien alles daarbij goed gaat, kan toch niet verwacht, dat de invoering. van de beoogde maatregelen vóór den aanvang van het volgende jaar zal kunnen plaats grijpen.
Batavia zal zijn commissaris van politie dan ook nog wel niets vóór 1911 zien verschijnen.
Een nieuw Weekblad. Alle Ind. bladen koiïdigen het eerste nummer aan van het weekblad I n s u l i n d e ; uitgevers en redactie daarvan zijn het hoofdbestuur dei' vereeniging van denzelfden naam, zetelend te Bandoeng. President dier vereeniging is de heer R. W. G. Arendsen de Wolff, vice-president en secretaris zijn de heéren E. J. W. Simons en G. Van Emmerik. Vóór op de eerste pagina staat een uittreksel der statuten van deze vereeniging, waaruit blijkt, welk doel zij zich stelt: „Het doel der vereeniging is, om door alle wettige en geoorloofde middelen betere toestanden op elk gebied in het leven te roepen in het belang der in Nederlandsch-Indië geboren Europeanen in het bijzonder, en aan de zoogenaamde „blijvers ' onder de elders geboren Europeanen."
WEST=INDIÊ.
SURINAME. Het blad D e W e s t vindt, dat, nu men het zoo druk heeft over de vraag, of de draagkracht, der bevolking wel een belastingverhooging van ƒ50000 toelaat, wel eens de aandacht mocht schenken aan de geld verspilling bij den dienst der koloniale vaartuigen. Die dienst levert toch voortdurend tegenvallers op : de kosten van het rivierschip „Oranje' en van het zeeschip „Koningin Wiihelmina" beliepen meer dan r'esp'. nagenoeg 50 percent meer dan de raming. En daartegenover wordt voor de afgeschafte schepen bij lange na niet het bedrag ontvangen, dat men zich voorstelde. Voorts moet tot overmaat van ramp het nieuwe zeeschip, niettegenstaande de hooge kosten, -een volmaakte mfelukking zijn gebleken, zoodat de slechte inrichting van den dienst oorzaak is, dal eene Engelsche onderneming van Demerara met succes tegen de koloniale vaartuigen concurreert in onze koloniale wateren.
De gouverneur van Suriname heeft eene commissie benoemd van elf leden, onder wie mr. S. J. Visser als voorzitter, ten einde een onderzoek in te stellen naar de wenschelijkheid om, hetzij door hoosere Hubsidieering van' de ambachtsschool te Paramaribo, hetzij op andere wijze, een of meer ambachten aan te moedigen. Verder zal die commissie, waaraan de heer J. J. van Meerten als secretaris is toegevoegd, ook een onderzoek instellen naar de vraag, of het wenschelijk is, dat er maatregelen worden genomen, en zoo ja, welke, om te zorgen, dat er voor jongens en meisjes, nadat zij de lagere school hebben doorloopen. meer gelegenheid zij, om. zich voor eenig vak te bekwamen, dan wel op andere wijze nuttig bezig, te zijn. Het bestuur acht het toch wenschelijk, dat de kinderen van onbemiddelden na den schoolplichtigen leeftijd, hetzij voor eenig vak worden opgeleid, hetzij aanstonds op eenige wijze nuttig bezig zijn, ten einde te zorgen, dat arbeidslust en ijver worden aangekweekt en aangemoedigd. Dit laatste is zeker wel hoog noodig, en het besluit von het bestuur om in deze iets te doen, moet ongetwijfeld worden toegejuicht.
De goudproductie in de kolonie bedroeg in het afgeloopen jaar ruim 1133 kilogram of 76 kilogram minder dan in 1908, niettegenstaande nu door de kleinbedrijf-proef in 1909 ruim 71 kilogram werd geproduceerd. De Compagnie des mines d'or spande met een totale opbrengst van 217 kilogram nog steeds de kroon; de wel eens gewaagde onderstelling, dat andere ondernemingen deze Fransche maatschappij zouden kunnen overvleugelen, werd dus niet bewaarheid. Wat de suikercultuur betreft, was 1909 geen al te gunstig jaar. Het weder was niet bevorderlijk aan een behoorlijken groei van het riet. De suikerproductie bleef dan ook in dit jaar ongeveer 1 millioen. kilogram beneden die van 1908, terwijl de tot laat in December 11. aanhoudende droogte oorzaak is, dat ook het gewas voor den oogst van 1910 achterlijk in groei is.
WAT DE INLANDER ZEGT. Over de aaneensluiting der Inlanders word in de T j a h a j a S u m a t r a van 2 October 1909 No. 80 ( K o l o n i a a l W e e k b l a d van 13 Januari 1910 No. 2), door A h m a d A l i B e ij op de pers in het algemeen, en op de Redacteuren van dé Indische nieuwsbladen in het bijzonder, een beroep' gedaan op hunne medewerking, om, zooVeel als in hun vermogen is. de Inlanders van Sumatra aan te sporen tot samenwerking ten algemeenen nutte,
ditzelfde blad van 2 November 1909 No. 88 bevat de mededeeling, dat te Kota Gedang, bij Fort de Koek (.Ilesidentie Padangsche Bovenlanden) een „ S t u d i e f o n d s " is opgericht. Het in het leven roepen van deze instelling, de eerste m het land van Menangkabau, is doo£ de Inlanders van de Westkust van Sumatra met vreugde begroet. Alleen is door enkelen de opmerking gemaakt dat men gaarne zoude zien, dat het Studiefonds te Rota Gedang den naam ontving van „ S t u d i e l' o n d s M e n a n g k a b a u." Tegen den zetel van het bestuur te Kota Gedang bestond geen bezwaar. De oprichting van dit fonds levert wederom het bewijs, dat men alleen door aaneensluiting iets groots in het algemeen belang kan tot stand brengen, doch wil men een nog krachtiger vooruitgang van het Maleische ras, dan — zoo zegt Matador in het laatstgemelde blad, — moeten alle inboorlingen de Nederlandsche taal spreken. De kennis dier taal wordt niet in het bijzonder verlangd om de inlandsche jongelingschap tot ambtenaar op té leiden, maar om door het lézen van in de Nederlandsche taal geschreven wetenschappelijke werken tot algemeene ontwikkeling te geraken. Het is er. volgens schrijver, nog verre van af dat het verlangen van het groote inlandsche publiek naar die kennis van de Nederlandsche taal algemeen is. Er zijn enkele Inlanders, die deze taal spreken; ook plaatsen thans enkele ouders hunne kinderen op de Fröbel- en Europeesche lagere school, maar dit zijn de slechts meer gegoeden. Tc Padang bestaan twee particuliere scholen waar men in het Nederlaiidsch onderwijs kan ontvangen. van Nederlandsche onderwijzers, liet leergeld per -leerling bedraagt: f2.50 's maands, terwijl gemiddeld1
50 leerlingen per dag de school bezoeken. In tjet geheel wordt dus eene som van /125 :s maands door, de ouders der kinderen van elke school opgebracht. Voor dat bedrag zou men 3 .Maleische onderwijzers, die de Nederlandsche taal machtig zijn, kunnen aanstellen in de plaats van één Nederlandschen onderwijzer, terwijl 150 leerlingen het onderwijs zouden kunnen genieten tegen betaling van een schoolgeld van f\.— per maand en per kind. Schrijver is verder van meening, dat een Maleische •onderwijzer, die de Nederlandsche taal machtig is, gemakkelijker de kennis dier taal zal bijbrengen aan de inlandsche kinderen dan een Nederlandsche onderwijzer.
Vooruitgang der Inlanders. In de T j a h a. j à S u m a t r a van G December 1909 No. 91, heeft de dochter van het Larashoofd te Kota (/Sedang en echtgenoote van S o e t a n R o e 1 L p a b, oud p e n g o e 1 o e k a p a 1 a (d.i. een functie in het dorpsbestuur) van Soengei Poear, een met haar naam ' onderteekend stuk geplaatst, waarin zij hare rasgenooten ter Sumatra's Westkust opwekt deel te nemen aan de tegenwoordige beweging tot •ontwikkeling der vrouw. Dit schijnt de eerste maal te zijn, dat eene Menangkabausehe dame middels de pers hare denkbeelden kenbaar maakt. De Redactie van het blad is bijzonder ingenomen met de actie dezer vrouw en zou het zich een genoegen rekenen, wanneer meerdere artikelen van dergelijke strekking in bet blad konden worden opgenomen, om ook het orgaan te worden voor de behartiging van de belangen der Maleische vrouw. Uit de korte reisbeschrijving blijkt o.a. ook, dat de schrijfster z'.cli persoonlijk en plaatselijk heeft willen overtuigen van de Siloengkangsche weefkunst te Sawah Loento en van den arbeid op de beide particuliere scholen te Tjandoeng, waaronder nl. één weefschool voor meisjes met 49 leerlingen en drie inlandsche onderwijzeressen, waarvan twee hulponderwijzeressen. Het hoofd der school is de eehtgeooote van het Larashoofd van Tjiandoeng; de beide hulponderwijzeressen zijn zijne dochters. Hel hoofd der school ontvangt ƒ20 's'maands subsidie van de Regeering en ƒ5 per maand voor den aankoop van garen; de hulpooderwijzeressén genieten eene subsidie van 'f5 per persoon en per maand. Eene Europeesche dame zorgt voor de modellen en wijst op de fouten, die er worden gemaakt. Per reis ontvangt zij van Regeeringswege ƒ7.50. De jongensweefschool telt 180 leerlingen met 3 door het gouvernement gesubsidieerde onderwijzers. Ook werd Soengei Poear en daarna 'de Niassche kampong ter hoofdplaats Padang bezocht, alwaar D a t o e S o e t a n M a h a r a d j a zich bezig houdt met het onderwijs in het weven. Op laatstgenoemde plaats leerde zij het onderscheid kennen tusschen de op die inrichting geweven kleedingstukken en het Siloengkangsche en Soengei Poearsche werk, als zijnde voor inlandsche vrouwen te los en minder geschikt wordt geacht*). Een te Padang vervaardigde k a i n (doek) eischte
ƒ0.90 aan garen en kan in 4 dagen tijds worden afgeleverd. Op een prijs van f2 per doek kan blijkbaar worden gerekend. Deze uitkomsten vond de schrijfster zóó belangrijk, dat zij besloot zich op de Padangsche wijze van weven toe te leggen, terwijl zij een oproep doet op de vrouwen ter Sumatra's Westkust hetzelfde te doen.
Oordeel over de in Nederland studeerende Nederl.«Indische jongelieden. In de S i n a r B o r n e o van 20 November 1909 No- 81 viel ons het bericht op, dat één der beeren, die gewoonlijk deel neemt aan het afnemen van de examens der in Nederland studeerende NederlandschIndië jongelieden, zou hebben medegedeeid. dat de uitslag dier examens heeft aangetoond, dat zij, laatstgenoemden, wat ijver en vlug begrip betreft, behoudens een enkele uitzondering, staan boven de Nederlandsche studenten. Dal geeft hoop voor de toekomst, voegt de Redactie van het blad er aan toe.
*) Dezelfde klacht wordt daarover hier in Europa vernomen, en ook, dat de kleuren en patronen helaas niet altijd typisch Sumatraansch zijn gebleven en daardoor in waarde achteruit zijn gegaan.
WAT DE CHINEES VERTELT. Nogmaals de haarvlecht der Chineezen. Werd in het vorig K o l o n i a a l W e e k b l a d het een en ander medegedeeld omtrent het ontstaan en het dragen van de haarvlecht der Chineezen, in de Pemberita Makasser van 6 December- 1909 No. 142 wordt vermeld, dat oorspronkelijk het dragen van dien haartooi een bewijs was, dat men aan de leden van den B o a n s t a m (leden van den V or s tens t and) eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd was. Doch niet alleen de leden van den B o a n s t a m, maar ook de Europeanen hebben ten allen tijde deel genomen aan de geringschatting vaD de haarvlechtdragenden. De instelling van de haarvlecht is ruim 260 jaar oud. In den beginne schaamde men zich de haarvlecht te dragen en bedekte daarom liefst het hoofd,- met het kennelijk doel om de vlecht zoo goed mogelijk onzichtbaar te maken; thans doen velen het omgekeerde en schaamt men zich om het verwijt, dat men de Chineesche oude gewoonten heeft prijs gegeven, alsof men geen Chinees meer is. Prins T j a i T a o, een jongere broeder van den Prins-Regent, heeft thans reeds twee malen aan den Keizer van China verzocht om voor alle Chineezen liet gebruik van het dragen der haarvlecht te mogen opheffen en zulks als niet meer passende in den tegenwoordigen tijd. Voor vele functies toch is de aanwezigheid van de haarvlecht belemmerend. Een Chineesch vrijwidiger van het S h a n g h a i V o l u n t e e r s C o r p s , ondervond met zijne kameraden, bij de uitoefening van den militairen dienst, veel last van de haarvlecht. Doch ook wanneer de militairen niet in dienst zijn, is die dracht hinderlijk. Wel is waar kan men daarin een knoop leggen, maar dan ziet men er uit als een werkman, hetgeen toch ook niet de bedoeling kan zijn. Voor machinisten is die bepaald gevaarlijk en menig slachtoffer is reeds in de fabrieken, die in Groot-China sterk toenemen, gevallen, doordien de haarvlecht door de raderen der machine werd gegrepen. Het onderhoud van het instrument kost bovendien veel . tijd eh geld, dat aan nuttiger doeleinden zou kunnen worden besteed. Volgens geruchten zouden twee Chineesche officieren te Soerabaja het voornemen hebben te protesteeren tegen de afschaffing van de haarvlecht,. omdat men. ingeval tot de afschaffing wordt overgegaan, niet kan weten, wie een ,,K o h" en wie een , . K e e z " is en gewoonlijk aan eerstgenoemden. in gezelschappen geen stoel wordt aangeboden.
School voor Chineesche arts.-n. In de P e m b e r i t a M a k a s s e r van 10 December 1909 No. 144 werd opgemerkt, dat tijdens de jongste begrootingsdebatten er stemmen zijn opgegaan die de wenschelijkheid betoogden om meerdere ambtelijke function in Nederlandsch-Indië door het inlandsen clement te doen vervullen. Zelfs sprak een enkele afgevaardigde de wenschelijkheid uit, om de inlandsche Rechtsschool voor de Indo's open te stellen. De Nederlandsche pers, die in Nederland de publieke' opinie weergeeft, was met die denkbeelden ingenomen en dus ook het volk, dat, echter in hot algemeen genomen, weinig belang stelt in de Indische aangelegenheden. Die geringe belangstelling bleek zelfs bij de leden der Tweede Kamer te bestaan, want, wegens het niet tijdig aanwezig zijn in 's Lands Vergaderzaal, moest de behandeling der Indische Be grooting een paar malen worden uitgesteld. En toch gaat Nedërland's Handel niet zoozeer vooruit door den verkoop vàn b.v. beetwortels,
W. P. de Bock Piet Heinstraat 71-73, K?eirt;„V..-t
= TELEF. 1769. ~=z PETROLEUMK ACHELS.
ANTON SCHIPPER
AERT VAN DER GOESSTRAAT 25 Ü B/H STADHOUDERSPLEIN Q a DEN HAAG o'
ROERT DER FIRMH WIENER ER VRIi VIITSER, o ROTTERDAM D Indische Uitrustingen
f
DEN HAAG Boekhorststr. 149. DEN BOSCH, Vughterslr 17
VLEUGELS, PIANO'S, INGEBOUWDE PIANO'S —— ORGELS. ——
VERHUURPIANO'Svan f E.— p.m. of f 50.— p. j. af. VLEUGELS van f 8.— p.m. of f 8 0 - p . j . af.
SPECIALE INRICHTING VOOR HET GEREEDMAKEN VOOR DE TROPEN.
Wegens aanvraag. Voor direct te koop gevraagd Oude Brillanten, Diamanten en Paarlen tegen de hoogste waarde. P. ABRAHAMSON. — Tel. 2515 Veenestraat 27. — Spuistr. 56. — Prinsestraat 34>
TECHNISCH HANDELSBUREAU E. CHAULAN
TELEPHOON 6216. . TELEPHOON 6216. 2e Sweelinckstraat 73 's-Gravenhage.
De nieuwste onderdeden en accessoires voor AUTOMOBIELEN.
Vertegenwoordiger voor Auto-Omnia, Parijs.
FIctCTiAb-An Ifnncpn uit Europa's Ie fabriek, L.iaC5UCiS.ClI IVUUÖCll volgens verklaring der gebruikers, het langst van alle soorten elastisch blijvend, per paar f3.75, vanaf no. 9 f 4.25. Hospitaaldoek Ie kw. f 1.75 p. meter. Thermogènewatten f 0.65. Koortsthermometers met controlebewijs f 0.60, Breukbanden dubbel f2.25, enkel f 1.25. - Houtwolmatrassen f2.25, Luchtkussens en Ondersteken in huur à f 1.— p. maand. „DE GEDÈ", Witte de Withstraat 20. Telefoon 6033.
6
aardappelen en augurken, maar wel door die van de Indische producten als koffie, suiker, tabak, petroleum, enz. enz. Zonder het bezit van Indië beteekent Nederland in de wereldpolitiek niets! De Kamerleden zullen dan ook, vindt schrijver, wèl doen met të streven naar goede resultaten op Indisch Bestuursgebied, opdat de Indische volken zich veilig en gelukkig kunnen gevoelen onder de Nederlandsche Driekleur. ! Het voorgebrachte denkbeeld om de Indo's toe te laten op de inlandsche Vechtschool, strekke zich ook uit tot de school voor inlaudsche artsen en voor andere Oostersche rassen, opdat er ook voor. deze gelegenheid besta om zich voor nuttige betrekkingen te bekwamen, ; Dê tijd is voorbij, zegt de schrijver, dat men rekening hield en moest houden met de gelaatskleur. Thans geldt als regel, dat een ieder het beroep volgt, dat zich het best eigent voor zijn kennis en voor zijne neigingen. En; ondier dat. licht bezien, kan en mag er geen bezwaar bij de Regeering bestaan, om de Chineesche jongelingschap te vergunnen mede te dingen naar betrekkingen. Dat de Chinees, wat betreft de geschiktheid, in ontwikkeling van zijn verstand voor niemand behoeft onder te doen, is voldoende bekend. Eén van de meest geschikte betrekkingen voor den Chinees is zeker die van gouvernementsarts, doch ook bij onderwijs, mijnbouw en andere takken -van dienst zou hij niet misplaatst zijn. Bij de keuze van arts zal men de opleiding daartoe moeten beginnen op de Hollandsch-Chineesche School, waar gelegenheid bestaat, de Nederlandsche taal te leeren en van waar men op de inlandsche artsenschool zal kunnen worden geplaatst. Doch in het belang van die aansluiting zou het Onderwijs-plan op dé Hollandsch-Chineesche school moeten worden herzien en zoodanig worden ingericht dat het bij het Middelbaar Onderwijs aansluit. De kennis van de voornaamste Westersche talen, zou dan in het nieuwe onderwijsplan moeten worden opgenomen. ' „ Door aan dit verzoek der Chineezen toe te geven, zal men te eeniger tijd — wanneer NederlandschIndië, bij eventueele Aziatische verwikkelingen, in het gedrang mocht komen — op den steun van de inlanders en Chineezen kunnen rekenen, waaronder velen zijn, die het Nederlandsch Bestuur loven, maar ook velen, die niet aarzelen het gegronde verwijten te doen. Door een behandeling zooveel mogelijk óp gelijken voet voor alle ingezetenen en strikte rechtvaardigheid zouden vele nioeilijkheden en wrijvingen onder/ vangen kunnen worden, meent schrijver. Vooral op het laatste punt komt het aan z.i., want bij rechtvaardige bejegening kunnen vele onvriendelijke gevoelens, die thans het Bestuur in den weg staan, worden opgeruimd, en zal Nederland ter zijner tijd zeker goede vruchten oogsten van de boomen, die het geplant heeft. > ,
Van Vreemde Koloniën.
Opium en Engelsch-Indië. De T i m e s of I n d i a maakte de volgende rake opmerkingen: Een merkwaardige relaas van oneerlijkheia in verband met de anti-opium-beweging in China is vervat in een rapport van sir Freierick Lugard. Het relaas geeft ten deele een antwoord op de vraag naar den ernst dier beweging in het Hemelsche Rijk. Het blijkt, dat morphine daar op groote schaal wordt gebruikt als surrogaat voor opium. Een deel van de morphine wordt gewoonweg, als zoodanig verkocht, maar groote hoeveelheden worden gebruikt in den misleidenden vorm der zoogenaamde anti-opium pillen, die tot hoogen prijs verkocht worden als antiopiumimiddel. Dr. • Graham Aspland te ,Peking .verklaarde, dat thans tonnen morphine-tabletten in China verkocht worden, tot zelfs in de meest afgelegen uithoeken van het land. Gewetenlooze handelaren maken die tabletten eenvoudig van morphine en gewoon meel. Het onderscheid tusschen den Chinees, die zijn heil zoekt in deze tabletten of in flesschen Japansche morphine, en zijn opiumschuivenden landgenoot is moeilijk te zien. Het is volmaakt bekend — en deze openbaringen zijn daarvoor weer een bewijs _ dat er zeer veel onoprecht is in de Chineesche anti-opium-beweging. Daar Indië nu een groot deel van zijn inkomsten opoffert om die beweging aan te moedigen, is het zeker wel dringend noodig, dat men nu ernstig onderzoeke, in hoeverre de beweging in China echt is. Uit de rechtszaal te Singapore. "Wij ontleehen aan de S t r a i t s B u d g e t van 13 Januari 11. het volgende: „Maandag 11. bekende Ong Lim zich schuldig te
hebben gemaakt aàn het feit van onwettigen terugkeer na de vorige maand te zijn verbannen, terwijl hij vier jaren geleden uit Penang werd verbannen. Hij verklaarde niet het voornemen te hebben gehad hier te blijven, maar slechts teruggekomen te zijn om de beenderen te halen van een overleden bloedverwant en die naar China over te brengen. Hij werd veroordeeld tot de eenige op het misdrijf gestelde straf — levenslange dwangarbeid.''* Men spot in de Engelsche koloniën niet met de handhaving van het recht, dat in onze Aziatische' kolonie 5rel eens schijnt te zijn gemaakt om het tegendeel te bewerken.
Mijnbouw op Madagaskar.
De D é p ê c h e C o l o n i a l e ontleende aan de laatste van Madagaskar ontvangen bladen, dat voor een groote Maatschappij verrichte boringen tiâar petroleum aan de Westkust van het eiland goede uitkomsten beloven. Het grootste bezwaar, dat de onderneming had te overwinnen, was het vervoer en de opstelling van het boormateriaal in een streek, waar gemeenschapsmiddelen geheel ontbreken. Met de boringen is in het begin van de maand November 11. een aanvang gemaakt; zij werden sedert onder de meest gunstige voorwaarden voortgezet. Het blad vernam van een correspondent, dat nauwelijks, toen de oprichting van een groote maatschappij bekend was geworden, de streek door prospectors, vooral uit Zuid-Afrika afkomstig, werd overstroomd, die overal hunne piketten uitzetten. Het staat te vreezen, dat velen vruchteloos werk hebben verricht • en hun geld uitgegeven hebben, indien zij op de aldus uitgezette terreinen niet spoedig aan den arbeid gaan, waartoe dezen lieden veelal het noodige geld ontbreekt. Het staat toch aan het bestuur vrij om de hernieuwing der vergunningen tot exploratie toe te staan of te weigeren, en het bestuur is ernstig besloten een einde te maken aan de dolle jacht naar vergunningen, die de ontwikkeling deikolonie in geenen deele kan bevorderen, indien dat bedrijf niet binnen redelijken tijd gevolgd wordt door werkzaamheden om de waarde der terreinen te be palen. Het is een tweesnijdend mes, dat het bestuur aldus in handen heeft. Het is daardoor mogelijk een stokje te steken voor een zuiver speculatief optreden, maar het valt niet te ontkennen, dat zelfs ernstige ondernemingen zich daardoor in een toestand van onzekerheid zien geplaatst. Nu heeft, wel is waar, de gouverneur-generaal Augagneur getoond, dat hij wist te onderscheiden en rekening te houden met den reeds verrichten arbeid. Het blijft niettemin waar, dat op Madagaskar elke mijnbouwonderneming in zekere mate afhankelijk is van den goeden wil van het bestuur, en dat daarin het groote gevaar verscholen ligt, dat ernstige ondernemingen zich daardoor zullen laten weerhouden. Men verwacht nu eene regeling, waarbij de hernieuwing der vergunningen afhankelijk wordt gesteld van een zekere hoeveelheid arbeid, waarvan het minimum zou. kunnen worden vastgesteld, in verband met het oppervlak, dat de vergunningen beslaan.
Een nieuwe vezelstof. Het B o a r d of T r a d e J o u r n a l meldde den 8en Jan. 1.1., dat een nieuwe vezelplant ontdekt was in de streek om de Spencer-Golf in Zuid-Australië, en dat men daaraan den naam van P o s i d o n i a A u s t r a l i s had gegeven. De engelsche Board of Trade ontving nu onlangs eenige monsters van die vezelstof. Men schat de productie, indien over voldoend materieel kan worden beschikt, op ongeveer 36 gulden per ton, waaronder dan nog het verpakken in balen voor den uitvoer of voor lokaal gebruik zou zijn begrepen.
Katoen in de Fransche koloniën. Het is waarschijnlijk, dat aan de katoen-cultuur in de fransche koloniën nog meer aandacht zal worden geschonken dan te voren. Zooals men weet heeft de „Association Cotonnière Française" zich de uitbreiding der katoencultuur in de koloniën ten doel gesteld en reeds eenige bevredigende uitkomsten verkregen. Naar aanleiding daarvan heeft zich een consortium gevormd voor den aankoop van katoen in Fransch West-Afrika. Dit consortium heeft evenwel gemeend de zaak ook op eene andere wijze te moeten aanpakken en is er nu in geslaagd, de oprichting van de Compagnie Française du Coton Colonial tot'stand te brengen. Deze maatschappij stelt zich behalve aankoop van het product van den inlandschen planter, ook ten doel zelve de cultuur ter hand te nemen. In de eerste plaats heeft zij daarbij het oog op Dahomey, waar het consortium in het afgeloopen jaar reeds meer dan 100 ton katoen kon koopen. De maatschappij! wil daar den katoenaankoop trachten te bevorderen, terwijl zij er de teelt van kapok
en sisal ingang wil doen vinden en tevens de exploitatie van oliepalmen wil verbeteren. Tegelijkertijd echter wil de maatschappij de katoencultuur ter hand nemen in de omstreken van Djiboeti, waar bevredigende uitkomsten werden verkregen van een proefaanplant eener katoenvariëteit. Velen zullen zich niet kunnen voorstellen, hoe men er aan denken kan in de woestijn van Djiboeti katoen te willen planten. Men vergeet echter, dat daar onder de door de zon geblakerde zandvlakte op een diepte van hoogstens 10 meter overvloedig water wordt aangetroffen. In Soedan en de lage vallei van den Senegal zal de maatschappij de taak van het consortium, dat in de maatschappij overgaat, voortzetten. En hier beloven de door de Association Cotonnière genomen proeven goede uitkomsten.
Arbeiders in de Duitsche koloniën. Toen de Duitsche minister van koloniën, Dernburg, nu twee jaar geleden van zijne reis naar Oost- . Afrika was teruggekeerd, was hij geheel de meening toegedaan van den gouverneur dier kolonie, Reichenberg, die, naar het oordeel der planters, niet ver genoeg wenschte te gaan om den arbeid te verzékeren. .,.-,'', Sedert werd de arbeid in Oost-Afrika geregeld op eene wijze, waarbij aan de planters nog groote macht werd toegekend, maar niet genoeg naar hun zin. De onderminister van koloniën, von Lindequist, heeft hierop ook eens een kijkje genomen in OostAfrika, en bij gelegenheid van die reis, verklaarde de hem vergezellende gouverneur den planters, dat hij in verschillende opzichten tot hunne meenüig was bekeerd. .De D e u t s c h e T a g e s z e i t u n g publiceerde onlangs eene correspondentie, waaruit blijkt, dat ook minister Dernburg geheel bekeerd is. De minister verklaarde in een onderhoud, dat de verbreiding der katoencultuur werd tegengehouden door den geringen aanleg van den neger voor beschaving. Het blijkt onmogelijk van den neger te verlangen, dat hij de meer moderne werkwijze toepast of de parasieten, die de cultuur bedreigen, zal verdelgen, zoo hij voor eigen rekening werkt. De neger zou overigens ook niet genegen zijn om meer te werken dan noodig is 'om zich het hoogst noodzakelijke te verschaffen. De heer Dernburg zou er dus wel in willen toestemmen, dat een zekere vaderlijke dwang werd gebezigd, om den neger aan het werk te zetten.
Oost= en Westindisch Literatuuroverzicht.
Bijdragen Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië. De zooeven verschenen dubbele aflevering der Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië bevat verschillende belangrijke artikelen. In de eerste plaats moet worden genoemd een uitvoerige monographie van Controleur G. J. van Dongen over de Koeboes in de onderafdeeling Koeboestreken der residentie Pa-' lembang (met kaart). Met eigen oogen heeft de schrijver het leven der onbeschaafde orang Koeboesin de ontoegankelijke bosschen waargenomen en zijn indrukken te boek gesteld. Zijne beschrijving heelt te meer waarde daar langzamerhand, doch geleidelijk meer, het Koeboe-ras zich oplost in het Maleische en nog „binnen afzienbaren tijd het nageslacht der huidige Koeboes wondere verhalen zal opdisschen van. zijn heidensche voorouders, die eens als boschmenschen dit land bewoonden." De overige inhoud bestaat uit: Het familieleven en familierecht der Dajaks van Landak en Tajan, door M. O. Schadee. — Mededeelingen betreffende de negriën Soengeii Koenit en Talao (Midden-Sumatra ).. — Mededeelingen betreffende de zes Karo-landschappen (Lingga en Onderhoorigbeden. — Baroe Djahé en Onderhoorigbeden. — Soeka en Onderhoorigbeden. — Sarinembah en Onderhoorigheden. — Si Lima Koeta; V. Koeta). — Zang V tot XII en XV tot XVII van den Nagarakretagama, door Prof. Dr. H. Kern. — De Indische oorsprong van den heiligen Reus Sint Christophorus, door Prof. Dr. J. S. Speyer. — Boekaankondiging, door Prof. J. S. Speyer (Tantrakhyayika die älteste Fassung: des Pancatantra, übersetzt von J. Hertel).
De blanke dokter en zijn bruine patiënt. In de Geneeskundige Courant van 29 Januari j.1. geeft Dr, J, H. F. Kohlbrugge het vervolg zijner beschouwing over verschillende ziekten der Javanen. In het bijzonder bespreekt hij thans o.m. de bijgeloovige handelingen, welke een groote rol spelen bij bevallingen.
Tijdschrift van het Bataviaasch Genootschap. De "heer G. P. Rouffaer opent de nieuwe aflevering (Deel LI, afl. 6), met een van groote belezen
heid en dito speurzin getuigend stukje, getiteld: De' ouderwetsch-Javaansche koedi, nog algemeen op Madoera in zwang. De schrijver toont daarin aan, dat de koedi, een werktuig, dat weleer over geheel Java gebruikt is geworden als hakmes, tevens schilmes, en thans als zoodanig in enkele streken (hij de Badoewi's, in Banjoemas, en hier en daar aan de. Noorderstranden) ook inderdaad als zoodanig nog wordt gebruikt, doch overigens op Java een soort mystiek wapen is geworden, hetwelk alle praktische beteekenis heeft verloren, dat genoemde koedi thans nog op Madoera een algemeen gebruikelijk stuk gereedschap voor den landbouwer is. Het artikel is vergezeld van een tweetal platen, op de eene waarvan verschillende koedi's zijn afgebeeld, terwijl de andere een reproductie bevat van de vorstelijke vlag van den voormaligen Pangeran van Pamekasan, waarop o.m. de koedi eveneens voorkomt. De heer T. van Erp geeft eenige bijzonderheden over Tjandi Mendoet, ni. een kort verslag betreffende de jongste herstellingen en eenige opmerkingen omtrent de architectonische waarde van den tempel, den oorspronkelijken toestand van het dak en van de bekroning van het voorportaal, (met drie platen). Een der platen geeft een gezicht op den fraaien tempel na de gedeeltelijke restauratie. Aan het belangrijke artikel ontkenen we nog, dat het tempelterrein binnenkort zal worden afgesloten en de bezoeker een bescheiden entréc-geld zal hebben te betalen. „Hoofdzaak hierbij is, dat alsdan een ieder Kan worden gecontroleerd en barbarismen, als nog onlangs door toeristen op Boroboedoer werden be'h'-vi'ii. kunnen worden voorkomen. De baten zullen dan bovendien de kosten voor onderhoud ruimschoots dekken. Overeenkomstige voorstellen tot afsluiting van Boroboedoer en enkele andere oudheden in de Prambananvlaktë zijn thans in behandeling." Onder het opschrift: Artja Domas, het zielenland der Badoej's, tracht voorts de heer C. M. Pleyte eenig licht -te verschaffen in de nog zoovele duistere opvattingen van het maatschappelijke" en godsdienstige leven der Badoej's, een — gelijk men weet — in afzondering levende heidensche volksstam in Bantam. Ten slotte bevat deze aflevering een Mota van toelichting betreffende dé Simeloengoensche landschapPen Si Antar, Panei, Tanah Djawa en Raja (de zoogenaamde Timoer-Bataklandschappen).
Geneeskunde der Menangkabau=Maleiers. Evenals het verleden jaar verschenen werk over de anthropologie der Menangkabau-Maleiers, is ook het thans uitgekomene, over bovengenoemd onderwerp handelend boek, de vrucht; eener wetenschappelijke reis van den heer Kleiweg cle Zwaan. De volledige titel luidt: De geneeskunde der Menangkabau-Maleiers. Ethnologische studie, door Dr. J. P. Kleiweg de Zwaan, privaat-docent aan de Universiteit te Amsterdam. (Amsterdam, Meulenhoff & Co.) Het werk geeft beduidend meer dan u't den titel is af te leiden, daar de schrijver niet slechts zijn Persoonlijke waarnemingen uit de door hem bezochte landstreken in Midden-Sumatra en ook Java, Bali en Lombok weergeeft, doch eigenlijk een vergelijkend overzicht geeft van de volksgeneeskunde van nagenoeg alle stammen van den Indischen Archipel. Hij doet zulks aan de hand van verschillende bevoegde" schrijvers, waarvan het uitgebreide litteratuur-overzicht, aan het eind van het werk, getuigenis aflegt. Weekblad voor Indië. Inhoud van No. 37: Nog eens politiehonden (met foto's), door Hemic. — Raden Mas Adipati Ario ^"otonegoro, regent van Kendal, een geïllustreerd artikel, samengesteld ter herdenking van de 4 -jarige ajnbtsloopbaan van genoemden regent). — Lain doehie, lain sekarang, ,,De taal is gansch het volk", door Felix (het begin eener belangrijke beschouwing over de beoefening van de inlandsche talen door Europeanen). — Het vliegerspel, door W. D. Koot. In het laatste artikel geeft de schrijver een kort overzichtje van het in Indië bij oud en jong zoo gezocht vliegerspel. Als de heer Koot meent, dat zijn opstel „een eigenaardig licht zal doen opgaan over de werkelijke waarde van dat spel", vergist hij zich evenwel eenigermate. Een uitnemend, uitvoerig en bovendien geïllustreerd artikel' over dit onderwerp werd door den heer H. A. von Dewall gepubliceerd in het Tijdschrift van het Bataviaasch Genootschap (deel '50 1908, blz. 414—433) naar aanleiding van de vlieger wedstrijden, gehouden ter gelegenheid van de Pasar Gambir te Weltevreden in de jaren 190(5 en 1907. Een artikel, waarbij dat van den' heer Koot ttiet in de schaduw staan kan, en waarvan deze ook geen kennis draagt, blijkens zijn: „Sla uw Wilken Klaar op, of welk ethnographisch of volkenbeschrijvend werk over Indië ge maar wilt, en ge zult te vergeefs zoeken naar een ietwat breedvoerige beschrijving van den aard en den omvang der kunst, die vliegerspel heet."
De Indische Mereuur.
No. 5 bevat de volgende bijdragen: Verslag over de Gouvernements Kina-onderneming over het jaar 1908 (Jaarboek 1908, Landbouw Departement), door Dr. K. W. van Gorkom (vervolg). — De rijstkuituur en irrigatiewerken in Cochin-China. — De voornaamste kultures•_ var» Suriname in 1909. — Achteruitgang van de kwaliteit der Guba-tabak. — Het jaarboek der firma Dentz over Sumatra-tabak. — Prijsvraag, uitgeschreven door de Delegatie der Vereeniging van Chilisalpeter-producenten te Antwerpen. —• Kultuurberichten. (Dé caoutchouc-kultuur op de Internationale Tentoonstelling te Brussel 1910. — De land- en tuinbouwcursus te Buitenzorg. — Uitvoer van bananen uit het zuiden van Brazilië. — Kleine mededeelingen. (Dé haven van Idi, enz.) ' — Overigens de gewone wekelijksche rubrieken.
De Indische Gids. Plaatsgebrek noopt ons te volstaan met enkel weergeven van den zeer belangrijken inhoud van de Eebruari-aflevering. Op enkele artikelen hopen we echter in een volgend overaicht terug te komen. De Indische begrooting in de Volksvertegenwoordiging. Nabetrachting, door Teisterbant. .— Javas verdediging en een volksleger in wording. Een keerpunt in onze koloniale geschiedenis? door H. O. Kerkkamp. — De wenschelijkheid van de vereeni ging der bestuurders- en rechterskorpsen in Nederlandsen-Indiër' door J. F. H. Schultz van Vlissingen. — Een Inlandsch notariaat? door Mr. A. A. van Oven. — De uitkomsten van het welvaartonderzoek op Java. V. Landbouw (vervolg). — Een oordeel! over Deli. — Trekken van overeenkomst tusschen de Germaansche en de Toradjasche en Minahass sehe volksverhalen, door Dr. N. Adriani. — Maandelijksche revue van Brochures en van tijdschrift- en dagbladartikelen, door J. E. de M. (De revue behandelt o.m. de navolgende onderwerpen: De pandhuisdienst. —'- Nogmaals proeven met Ombilinkolen. — De brandstof voor de Indische vloot. — Een oude kaart van den Indischen Archipel. — Dé richting der ontwikkeling van den Javaan. — Nederlandsch onderdaanschap. — Mr. N. G. Pierson f- — Een Indische antithese. — Spoorwegplannen Semarang. — Cheribon. — Gouverneur-Generaal Van Heutsz. — Onze koloniale politiek. •— Verzet tegen cholera-maatregeIen, — Particuliere landen in handen van vreemdelingen. — Nieuw Guinea-expeditie. — Een choleraepidemic in Djambi. — Reorganisatie van de politie). — Koloniale literatuur. — Wetenschap en industrie (Malaria in betrekking tot hét lot van volkeren enz.) — Maandelijksche bibliographie voor Oost- en WestIndië, door W. C. Muller.
Vervolg opgave van bladen, tijdschriften enz., welke nieuw ter lezing zijn gelegd in de Leeszaal Heulstraat 17, Denf Haag, die d a g e I ij k s, Zon- en Feestdagen uitgezonderd, geopend is van 10 uur voor- tot 6 uur namiddags.
De Javabode t m 12 Jan. '10, De Sumatrapost idem. Het Soer. Handelsblad t/m 11 Jan. '10. De Javasche Courant. De Indische Mercuur No. 6. Ned.-Ind. Effectenblad No. 2. Handelsberichten v/h Min. v. Landbouw No. 151. Bandera Wolanda No. 47. Uitkomsten der gewestelijke onderzoekingen v/d landbouw en de daaruit gemaakte gevolgtrekkingen. 2 deelen. (Onderzoek van de mindere welvaart enz.) Samentrekking v/d afdeelingsverslagen over de uitkomsten en onderzoekingen naar de Economie van de Dessa. Idem naar den inlandsehen handel en nijverheid. 2 deelen. De Banier No. 1. Ncd. Landbouw-Svndicaat, verslag, over het jaar 1909. Tijdschrift voor Economische Geographie No. 1. Exportblad No. 807. Deutsche Kolonial Zeitung No. 6. Indische Gids No. 2, Februari-afl. La Quinzaine Coloniale No. 2. Weekblad voor Indië No. 37. Suriname, Kol. Nieuws- en Adv.bl. t/m 4 Jan. '10. De Sumatrabode t/m 14 Januari '10. De Delicourant tyim, 14 Januari "10. Jong Indië No. 27.
MEDEDEELINGEN.
Van de Afdeeling 's Gravenhage : Jaarlijksche gewone Algemeene Vergadering op Donderdag 24 Februari a.s., des namiddags ten 81/-, ure, in het gebouw Laan v. Meerdervoort 195. Agenda: 1. Verslag over het afgeloopen jaar 1909 met vermelding van den toestand op 3 December, en der
Kunstzaal „THE HAGUE"
D D D SWEELINCKSTRAAT 99 D D D Open van 1—4 uur. = = = = = SCHILDERIJEN en AQUARELLEN van Moderne meesters. -:- -:- -:- -:- -:=( VRIJ TE ZIEN. >
MOOI NEDERLAND." De Naamlooze Vennootschap „MAATSCHAPPIJ MOOI NEDERLAND" exploiteert fraai en gezond gelegen terreinen in Nederland; o. a. 20 HECTARE BOSCHRIJK VILLA-TERREIN met schoone vergezichten, gelegen op den Sterrenberg en in 't Keteldal te BERG EN DAL bij NIJMEGEN, aan de beide groote wegen NIJMEGEN—KLEEF en aan de beide stoomtrams van BERG EN DAL en van BEEK naar NIJMEGEN.
Zuivere Zandbodem, 80 Meter + K.P. Kantoor der Vennootschap: KONINGIN EMMAKADE 107, DEN HAAG.
verschillende resultaten, welke verkregen zijn door het restaurant en de commissiën. '2. Rekening.; en Verantwoording over 1909. •'i. Verkiezing van drie bestuursleden in de plaats van hen, die aan de beurt van aftreden zijn. 4. Benoeming van afgevaardigden voor do Algemeene Vergadering der Vereeniging „Oost en West."' ö.lOpmaken candidatenlijst voor het Hoofdbestuur. Namens het Afd. Bestuur: R. A. J. VAN DELDEX, Secretaris.
Van het Dag. Bestuur der Vereeniging. Ter leestafel Heulstraat 17, den Haag, is neergelegd het Tijdschrift voor Economische Geographie, Urgaan der Nederlandsche Vereeniging voor Economische Geographie, die zich ten doel stelt Nederland en zijne Koloniën, wat betreft hun economische productie en beteekenis, beter bekend te maken, niet allen in ons land, doch ook in den vreemde. Op de Nederlandsche belangen in het buitenland zal zij een wakend oog houden, en, waar noodig, die trachten te verdedigen, met geschrift en woord. De Vereeniging zal trachten duidelijk aan te toonen, wat ons land op dit gebied beteekent, en tevens wijzen op al hetgeen Nederlanders daarvoor in den vreemde kunnen verrichten. Het zal wel niet noodig zijn hier er op te wijzen, hoe deze Veereeniging, wanneer zij alom den gewenschten steun vindt, van onberekenbaar groot nut zal kunnen zijn voor de ontwikkeling der bronnen van nationalen welvaart, zoowel op handels- als op landbouw- en nijverheidsgebied van grooter .Nederland. Moge de Vereeniging spoedig vele leden tellen! De bijdrage voor leden bedraagt, ƒ10 'e jaars, die voor donateurs /50 's jaars of f500 ineens. Secretaris der Vereeniging is de heer Mr. K. E. Kielstra, Stadhouderslaan 43, dën Haag.,
INGEZONDEN.
Men schrijft ons: „Ik heb uit de opgaven in dé couranten gezien, dat er toch nog geld, en wel in ruime mate, te vinden is in Holland om bij te dragen voor den watersnood te Parijs! — En waarom geeft men die duizenden (ik zag f5000 ineens!) voor den ramp, die onze Javanen getroffen heeft, niet? Mij dunkt, dat hierover wat gezegd moet worden. Niet om elkander, waar ook, in den nood niet te helpen, maar wèl, om er op te wijzen, dat men e i g e n kinderen achter stelt bij vreemden, die, indien ik mij niet vergis, weinig of niets voor ons ger daan hebben, toen wij voor 'twee jaren met vreeselijke overstroomingen in Zeeland geteisterd werden. Zoude „Oost en West" het iniatiet' kunnen nemen?
Ten bewijze dat wij het met schrijver eens zijn, dat er als regel in Nederland lang niet genoeg bijgedragen wordt tot leniging van nooden in Nederl.Indië, nemen wij hiter zijne woorden over. Alleen zij ons de opmerking vergund, dat de oorzaak waarom de Franschen, die anders hulpvaardig genoeg zijn, onzen nood in Zeeland niet hielpen lenigen, waarschijnlijk lag aan het feit, dat zij, onze taak niet kennende, daai'van niet bewust waren. Red.-Gom.
Baarn, 2/2 '10. Kolom 3 bldz. 3 van Koloniaal Weeklad nam óver uit O.-I. Mail o.a. „over den intocht van G.-G.
8
Idenburg te Buitehzorg". De eerste, die Z. Fxc. aan het Paleis welkom heette, was generaal Ermeling. " Dit bericht is juist en zou nog bijzonder kunnen ook zoo niet d e eerste, toch een der eersten was, die den toen te Batavia ontscheepten 2e Lt. der Genie Idenburg begroette. Commentaar vraagt echter het bericht, ,,dat uit de Preanger was overgekomein ter begroeting, de oude heer Crone, die vanaf den tijd van Duymaer y&n Twist alle gouverneurs-generaal mee ontvangen heeft en hoopt er nog minstens een vijftal te zien komen en gaan." Ik geloof wel, dat de genoemde z.g. Nestor der Preanger landheeren, de heer Crone, zoo juist geboren kon zijn, toen D. v. T. ais G.-G. optrad (1851), maar van mee ontvangen, tenzij in de armen van zijn baboe, zal wel geen sprake hebben kunnen zijn; het verheugt mij nu te weten, dat mijn jeugd-vriend B. B. Crone, dien ik medio '57 als een jong knaapje te Buitenzorg leerde kennen, nog levenskrachtig voor minstens 25 jaren blijkt. Dàn zou hij ongeveer den leeftijd bereikt hebben, als thans de energieke onverwoestbare Ermeling reeds heeft bereikt. Dr. K. W. v. G.
Nog eens „Het Indo=vraagstuk." Aan de Hedactie-Commissie .van het Orgaan der Vereeniging „Oost en West." Naar aanleiding van uw naschrift op mijn- stukje „Het Indo-vraagstuk" in uw blad opgenomen, verzoek ik u beleefd, ook het volgende te willen plaatsen. Ge vindt in mij een warm aanhanger van' de leer van Prof. Heymans, om een huwelijk niet langer op amoureuzen, doch op psychologischen grondslag te sluiten. Dit is hier in alle opzichten waar. Ik zelf acht een bovengenoemd huwelijk gebaseerd op hygienische, in dit geval andere berekeningen over 't algemeen onmogelijk, om er niet meer van te zeggen. Iets anders is echter, dat men bij de opvoeding van Indische kinderen kan trachten het idee bij hen te kweeken, dat het een gansch natuurlijke zaak is, wanneer zij met een Javaan (sehe) in het huwelijksbootje stappen. Dat men bij hun opvoeding hen meer in aanraking brengt met Javaansche kinderen, met deze als 't ware laat opgroeien, waardoor huwelijken van Indo met Javaan zonder individuéele berekeningen in aantal zullen toenemen. Het streven van uw vereeniging is den band tusschen de verschillende bewoners van Insulinde nauwer aan te halen. Hoewel ik in mijn beschouwingen dit streven verre van nabij kwam, zoo ben ik er persoonlijk toch wel een voorstander van. Echter meen ik, na een tijd lang uw blad gelezen te hebben, dat de Indo, hoewel ik gaarne erken, dat 't een fout van me was om hem als een op zichzelf staand ras te willen beschouwen, door u te veel uit het oog werd verloren, dat hét u wellicht onbekend is, dat een proces van vervreemding tusschen Indo en ,,pur sang" dreigt in te treden, zoo het niet reeds ingetreden is, en dit om de volgende redenen: De Indo is er momenteel vast van overtuigd, dat
er een vooroordeel tegen hem heerscht. Of het vooroordeel werkelijk bestaat, het doet niets ter zake, de Indo meent het, en deze meening alleen reeds doet hem van den volbloed Europeaan vervreemden. Is het bestaan van zulk een vooroordeel slechts een sprookje, zou het dan niet op den weg van uwe vereeniging liggen om te trachten dit den Indo aan te toonen? Bestaat het vooroordeel werkelijk, dan nog zijn twee dingen mogelijk, of het is gemotiveerd of niet. Bestaat het en heeft het redenen van bestaan, zou uwe vereeniging dan weer niet willen trachten, om dit vooroordeel uit de wereld te helpen, door naar opheffing van den Indo te streven? Is dit onmogelijk, dan is noodig den Indo aan te toonen, dat het bestaan van zulk een vooroordeel niet meer dan natuurlijk is in de gegeven omstandigheden, om eenige verbroedering tusschen Indo en „pur sang" mogelijk \te maken. Bestaat het vooroordeel intusschen en is het niet gemotiveerd, dan vinden we het terrein van Oost en West bij de werkgevers. Hinderlijk is 't verder voor menigen Indo, dat men haast in ieder product van Indische roman of nouvellen-litëratuur een van zijn soort laat optreden, die niet alleen wat met een laag karakter wordt bedeeld, maar dien men steeds een taal laat spreken, waar een gewoon mensch van walgt, al moet hij daarbij een gestudeerd persoon voorstellen, al zou hij tot vader hebben een resident of een ander hooggeplaatst persoon, die zijn kinderen toch wel een behoorlijke opvoeding kan geven en Hollandsen kan laten leeren. Afgezien van het gejouw van straat-canaille hier in Nederland, hoort men in Indië helaas nog vaak genoeg op den Indo schimpen, omdat hij Indo is. Dit betreffende mag men niet langer in dezen geest redeneeren: „De Indo moet maar denken, dat de menschen, die 't doen, dan zelf ook wel geen hoogstaande personen zullen zijn"; het gros der Indo's staat nl. zelf niet hoog genoeg om zich boven dergelijke behandelingen te stellen, kan zich zoo iets niet anders dan aantrekken. U mijn dank zeggend voor dé plaatsruimte, teeken ik mij, Achtend, Uw dw. dn., KATJASI; STUDIOSUS.
Dé erkenning van de fout om den Indo te beschouwen als een op zichzelf staand ras overbrugt al dadelijk het sterk gevoel van afscheiding. Blijft nu te overwinnen de gedachte, dat de Hollander geneigd is den Indo< gering te schatten, op den bruinen broeder laag neer te zien, alleen om zijn huidkleur of zijne vermenging met het Inlandsche ras. Dat er een proces van vervreemding tusschen Indo en ,,pur-sang" dreigt in te treden, is ons — in dien algemeenea zin — werkelijk onbekend. En zeer zeker zal de Hollander — g ui generis — zulk een proces niet openen, al zou men mogelijk kunnen wijzen op enkele, op zichzelf staande gevallen, waarin van zoo sterk sprekende afstooting blijken mocht. De vervreemding moet treffen, daar diezelfde kranige grijsaard, als chef van « het' wapen der Genie, plm. 29 jaren geleden, zeker
dan komen van den kant van den Indo zei ven, die meent, dat bij den Hollander een vooroordeel tegen hem levendig is, van het bestaan waarvan hij het zekere bewijs mist. Wij geven dadelijk toe, dat zeer vele der Indische romans aan dié gedachte voedsel geven, en betreuren het oprecht, wanneer de schrijver de van den b e s c h a a f d e n Hollander afwijkende eigenaardigheden van den w e i n i g o n t w i k k e l d e n Indo zoo sterk belicht, dat bij de velen, die met de Indische toestanden nog onbekend zijn, de indruk moet, worden teweeggebracht, tot schade van ons Indië en zijne bewoners, dat de Indische maatschappij door die figuren wordt gekarakteriseerd. Doch, waar de romanschrijver op goedkoope wijze zijn lezers tracht te vermaken door het doen optreden van een Indo, die de Hollandsche taal gebrekkig spreekt en werkelijk daardoor lachwekkende momenten doet ontstaan, doet hij daar iets anders dan de schrijver, die er genoegen in schept, een Engelschman of Franschman ten tooneele te brengen, die op vermakelijke wijze het Hollandsch ledebraakt'r1
Wil deze daarmede te kennen geven, dat hij den Engelschman of Franschman beschouwt als iemand van lager gehalte? Immers neen? Vermaakt men zich ook niet met de kazernetaai, en wordt daarom het leger geminacht? Lacht men in Indië niet om den b a a r ? Spot men ook niet met de dwaasheden, die menig Europeaan zegt door zijne gebrekkige kennis der Inlandsche taal, en laat men daar de linkschheden of ruwheden van den minder welopgevóeden Europeaan onbesproken? Vindt men daarentegen in dezelfde Indische romans niet gewoonlijk ook aan het licht gebracht de beminnelijke zijde bijv. van de N o n n a, al lacht men ook om hare worsteling met het Hollandsch? Kan hare hulpvaardigheid, meewarigheid, gastvrijheid, opofferingsgezindheid, trouween aanhankelijke liefde, zelfverloochening, zooals in die verhalen vaak geschilderd wordt, niet ten voorbeeld strekken aan velen harer Hollandsche zusters? Indien het individu streeft naar zelfverheffing door ontwikkeling, geestkracht en volhardenden ijver, zal hij de achting verwerven zijner medemenschen, uit welk bloed hij ook moge gesproten zijn. In het onderwijs, en in het bijzonder in de bevordering deikennis van de Nederlandsche taal ligt een groote kracht tot oplossing van wat men noemt: het Indovraagstuk.
Lijst van aangekomen en vertrokken Passagiers uit en naar de Indien.
Passagierslijst van het stoomschip „Prins Willem V", gezagvoerder J. Aarents, van Amsterdam naar Wést-Indië op 4 Februari. Eerw. Heer W. Perriens; Eerw. Frater Eodewijk; Eerw. Frater Apollinaris; J. H. van Vliet; J. (J. ten Kate; G. C. Wildschut; J. M. van Schaik en echtgenoote. Passagierslijst van het stoomschip „Prins Willem I", gezagvoerder A. R. Nijboer, van West-Indië naar Amsterdam. •Mevr. C. F. Zeiler—van Tulpen; *Mej. B. P. S. Zeiler; W. M. Zelle; *A. Elias; A. Bair; ,J. Samuels; H. Rohnert; G. Wouters; F. Bergman. * te Havre ontscheept.
VACANT
SMAKELIJK BROOD. Ä
, _ • • • : : • " Electrische Bakkerij CARËLS PIET HEINSTKAAT 66 - TELEPHOON 6286 - NO0RDE1NDE 21
Gouden Médaille.
feüioiile lentooflHm liila
merk „ C R I N 0 F L 0 0 R "
zijn de middelen waarvan men het mee«« succes kan verwachten. Men vrage ter overtuiging daarvan aan, de vele attesten V M herstelden, welke gaarne op aanvraag franc« thuis worden gezonden. Mondeling of schriftelijk ADVIES KOSTELOOS.
C. ROMEim, Haarkundige, Spui 25, Den B m
Eenig eigenaar. CONDITIE BILLIJK. - NAMAAK VERBODEN Succes bijna altijd zeker.
VACANT
EXPORT
:: WEEKBLAD :: TOT BEVORDERING DER BELANGEN VAN DEN NEDERLANDSCHEN EXPORT.
Abonnement per jaar: Nederland f2.50. Ned-Indië . . . . . f3.50. Proefnummers 25 cents. Uitgave: STEENMEIJER 6 Co., AMSTERDAM.

Full Text / Transcription of UNIVERSITEITLEIDEN-DIG-KOLONIAAL-WEEKBLAD-1910-06 (2024)

References

Top Articles
Latest Posts
Article information

Author: Ray Christiansen

Last Updated:

Views: 5723

Rating: 4.9 / 5 (49 voted)

Reviews: 88% of readers found this page helpful

Author information

Name: Ray Christiansen

Birthday: 1998-05-04

Address: Apt. 814 34339 Sauer Islands, Hirtheville, GA 02446-8771

Phone: +337636892828

Job: Lead Hospitality Designer

Hobby: Urban exploration, Tai chi, Lockpicking, Fashion, Gunsmithing, Pottery, Geocaching

Introduction: My name is Ray Christiansen, I am a fair, good, cute, gentle, vast, glamorous, excited person who loves writing and wants to share my knowledge and understanding with you.